Rechtspositie

Rechtspositie (Brief in de Volkskrant in het Pinksterweekend op 27,28,29 mei 2023)

Wie voelt geen begrip voor de inwoners van Ter Apel die in verschillende toonaarden roepen dat ze er klaar mee zijn om door groepjes veiligelanders bespuugd en geïntimideerd te worden? Toch is het wijs om nu niet alleen op het gevoel te vertrouwen. Om te begrijpen wat hier speelt, blijft het belang om deze kwestie ook vanuit het perspectief van die zwijgende relschoppers te belichten.
De andere kant van deze kwestie komt in zicht als wij ingaan op de vraag die Hannah Arendt in haar boek The Origins of totalitarianism (1951) aan ons voorlegt: hoe verandert de rechtspositie van een illegale migrant wanneer hij een klein misdrijf pleegt en daarbij opgepakt wordt door de politie?
De vraag stellen is haar beantwoorden. Zijn rechtspositie zal verbeteren, omdat hij in de politiecel kan rekenen op rechtsbescherming die hij op straat moet ontberen. Ik denk dat dit ook geldt voor de asielzoekers in Ter Apel die op straat hun broek laten zakken of die in supermarkten pakken kaas openmaken en blikjes bier gaan drinken. Misschien hopen zij erop dat zij zodoende eindelijk door onze onverschillige overheid opgemerkt worden.
Hoe bont zij het ook mogen maken, onze overheid maakt het nog veel bonter wanneer ze er maar niet in slaagt om een humanere opvang van asielzoekers te organiseren.

Martien Schreurs, Nijmegen

Ontpoppen: worden wie je bent

Een van de meest fascinerende uitspraken die ik in de pedagogische literatuur ben tegengekomen, is de oproep dat je moet worden wie je bent. Kennelijk ben je al iemand, maar je hebt kennelijk heel veel tijd nodig om uit te zoeken wie je eigenlijk bent. De goede pedagoog moet jou helpen om je ware zelf te ontdekken. Misschien hebben die romantische pedagogen een voorbeeld genomen aan natuurlijke groeiprocessen, zoals de rups die zich na verloop van tijd tot vlinder ontpopt of de eikel die wij in de grond stoppen en die wij later tot eik zien uitgroeien. Dit zijn fascinerende beelden waarover je je lang kunt verwonderen. Is het echt dezelfde eikel die je eerst in de grond stopt en die je later tot een enorme eikenboom ziet uitgroeien?

Leraren laten zich waarschijnlijk ook door zulke beelden van groei inspireren wanneer zij zeggen dat zij aan het zaaien zijn en dat ze nooit weten welk zaadje uiteindelijk wortel zal schieten en wat voor moois daaruit zal opbloeien. Het idee is dat dit leerproces zich grotendeels aan je zicht onttrekt en dat je nooit kunt weten wat je in het onderwijs teweegbrengt bij je leerlingen. Dit kan een schrale troost zijn voor docenten die vaak het akelige gevoel hebben dat hun leerlingen niet willen horen wat zij allemaal te zeggen hebben. Je kunt die wanhopige docent op het hart drukken dat hij of zij nooit kan weten wat hij of zij op langere termijn betekent voor zijn of haar leerlingen. Ik geef al dertig jaar les op verschillende scholen en laatst kwam ik een oud-leerling tegen die zo sympathiek was om tegen mij te zeggen dat hij zo veel geleerd heeft van mij. Toen ik hem vroeg wat hij dan van mij geleerd had, hoorde ik hem dingen zeggen die hij nooit van mij geleerd kan hebben. Toch zegt dit nog niks over de waarheid of onwaarheid van de uitspraak van mijn vroegere leerling. Misschien is hij door mij op een bepaald spoor gekomen en leidde dat spoor naar dingen waarvan ik zelf geen weet heb.

Leren is een mysterieus proces dat zich slechts ten dele in enquêtes of onderwijsevaluaties laat grijpen of begrijpen. Het is moeilijk om een goed inzicht te krijgen in die leerprocessen. Ik zie het echte leren als een levenslang traject waarin je gaandeweg kunt leren wie jij bent, wat jij wilt en wat je moet doen of laten om een vervullend leven te leiden. Je hebt een heel leven om daar achter te komen. De verleiding is groot om het levenslange leren als een vorm van ontpoppen te begrijpen. Als het goed gaat, ontpop je je tot de persoon die je eigenlijk wilt zijn.   

Een ander beroemd voorbeeld dat in de pedagogische literatuur gebruikt wordt om uit te leggen wat het betekent om te worden wie je bent, is het beeld van de verloskundige dat wordt toegeschreven aan de filosoof Socrates. Socrates zei dat hij in zijn memorabele dialogen met voorbijgangers op straat een voorbeeld nam aan zijn moeder die vroedvrouw was. Zie de geest van je gesprekspartner als een baarmoeder waarin een kind leeft dat op het punt staat om geboren te worden. Socrates zou gezegd hebben dat het er tijdens het leren om gaat zicht te krijgen op de ideeën die in onze geest besloten liggen.

Als je nadenkt over de begrippen die wij gebruiken om de wereld te begrijpen, dan ontdek je al snel dat onze dagelijkse begrippen als “ruimte”, “tijd”, “de samenleving”, “geschiedenis”, “deeltje”, “eenheid”, “volwassenheid”, etcetera… in hoge mate ideëel zijn. Hoewel die begrippen mogelijk maken dat wij de wereld zien en begrijpen, zijn ze op zichzelf niet zichtbaar. Zo begrijpen we tijd als een opeenvolging van gebeurtenissen, maar de tijd zelf zien we niet. En er zijn oneindig veel dingen die in meer of mindere mate goed, mooi en waar zijn, maar het schone, het goede en het ware kunnen we niet zien. Ons beeld van de wereld wordt dus mogelijk gemaakt door zuivere begrippen met behulp waarvan wij de wereld proberen te begrijpen. Die zuivere begrippen gaan grotendeels vooraf aan ons begrip van de wereld. Filosofen hebben daarvoor de term “apriori” gemunt. Het is in lijn met de metaforiek van de verloskunde gepast om hier over “aangeboren begrippen” te spreken. Volgens Socrates is het de taak van leraren om hun leerlingen bewust te maken van die aangeboren ideeën. Die aangeboren ideeën moeten in het actieve bewustzijn tot wasdom komen. Wat voorbewust was, moet dus bewust worden gemaakt. Het doel van deze pedagogische verloskunde is om te begrijpen hoe wij eigenlijk denken. En net als in de echte verloskunde gaat het er in deze onderwijsleergesprekken niet bepaald zachtzinnig aan toe… Socrates pakt zijn gesprekspartners genadeloos aan als zij denken te weten hoe het allemaal zit. Je zult nooit klaar zijn met dit zelfonderzoek dat tot volwassenwording moet leiden. Je ontpopt je tot een volwassen mens als je je bewust wordt van de verlangens en logica’s die aan je eigen denken, waarnemen en oordelen ten grondslag liggen.    

Maar dit ontpoppen hoeft niet perse in positieve zin begrepen te worden. Zo is het ook mogelijk dat iemand zich ontpopt tot moordenaar of tiran die miljoenen mensen uitroeit en nog veel meer mensen in grote problemen brengt. Dit is het grote gelijk van de humanisten van de Renaissance. Mensen hebben tal van mogelijkheden en potenties, maar het hangt grotendeels van toevallige omgevingsfactoren en ontmoetingen of confrontaties met andere mensen af wat er van iemand zal worden. Volgens Pico della Mirandola ontpop je je pas als mens als je je van de lagere diersoorten kunt onderscheiden. De mens staat volgens de christenen en klassieke humanisme boven de dieren. Maar deze hoog- laag metafoor verdient het om het kritisch tegen het licht te worden gehouden, want er is een levensgroot verschil tussen humaniteit en menszijn. De Nederlandse Leon de Winter weet hier haarscherp de vinger op te leggen in zijn boek Het lied van Europa.

Deze roman vertelt onder andere over de burgeroorlog in Syrië en een van de plekken waarin de hoofdpersonen Jibril, Maurice en Da’ud vaak komen is de dierentuin die altijd een rustpunt was in hun turbulente levens. Maar op een gegeven moment is het oorlogsgeweld zo heftig geworden dat de dierentuin niet meer te handhaven is. De dieren gaan dood van de honger of dorst of ze worden dodelijk geraakt door kogels die overal rondsuizen. Da’ud en Jibril kunnen het echter niet aanzien dat de oude aap Lucy aan haar lot wordt overgelaten. Deze aap was de grote publiekstrekker in de dierentuin en Da’ud en Jibril gaan iedere dag met gevaar voor eigen leven via een sluiproute de dierentuin in om Lucy te eten en te drinken te geven. Het wordt steeds gevaarlijker en ze moeten hiermee stoppen. Maar telkens als ze hiermee willen stoppen, hebben ze het gevoel dat dan de laatste hoop op betere tijden verloren is en dus ze gaan door. Ze noemen Lucy een symbool van ontmonstering en op p. 41 en p. 42 voeren zij hierover een kort gesprek dat je nooit wilt vergeten:
“Is ze als symbool zo waardevol?” had Maurice gevraagd.
Da’ud had geantwoord: “Toen we kinderen waren, stonden we schouder aan schouder bij haar hok, toch? We wisten nog niet dat we elkaar haten. Dat kwam pas later. Maar bij Lucy waren we allemaal gelijk en gelijkwaardig. Ze heeft ons allemaal zien opgroeien tot de monsters die we nu zijn. Laten we haar in leven houden en haar laten zien dat we kunnen ontmonsteren.”

Dit is een beeld van de oorlog dat veelzeggender is dan de levensechte beelden van oorlogsgeweld die je dagelijks op de journaals voorbij ziet komen. De aap Lucy laat zo aan de mensen zien hoe zij zich in deze tijd van oorlog tot monsters ontpopt hebben. En nu staan ze voor de taak staan om weer menselijk te worden… Dit is een voorbeeld dat mij te denken geeft, omdat het klassieke humanisme op zijn kop wordt gezet. Eeuwenlang werd ons verteld dat wij ons pas tot volwaardige mensen kunnen ontpoppen als we weten wat ons van dieren onderscheidt. Nu is het tijd om de rollen om te draaien. Zijn het niet eerder de naakte dieren die ons leren wat het betekent om humaan te zijn?     

Kippevel

Ik kijk graag naar voetbal op televisie. Zelf heb ik ook altijd met veel plezier gevoetbald in de tuin van mijn ouders en in de parken van de steden waarin ik gewoond heb. Hoewel het er in de laatste jaren zelden meer van komt om paaltjesvoetbal of kleine partijtjes van 2 tegen 2 te spelen, kan ik nog steeds tientallen keren een bal hooghouden. Het is altijd leuk om dat trucje aan mensen te laten zien. Dan voel ik mij weer dat jochie dat gewoon lekker aan het spelen is. Ik houd van het straatvoetbal, maar het voetbal wordt natuurlijk op zijn best gespeeld door profvoetballers die in het officiële voetbalspel de wereldtop bereikt hebben. Een van de onmiskenbare voordelen van Youtube is dat ik vaak kan terugkijken naar de mooiste doelpunten van wereldsterren als Ronaldo, Messi en Ibrahimovic. Ik zou zo een playlist van mooiste doelpunten kunnen samenstellen. Er komen steeds nieuwe doelpunten bij, maar er zijn twee doelpunten die voor mij altijd op nummer 1 en op nummer 2 blijven staan. Deze beide doelpunten werden gemaakt in het jaar 1986 toen Argentinië in de kwartfinale van het wereldkampioenschap voetbal in Mexico tegen Engeland speelde. Hoe vaak krijg ik niet kippenvel als ik de tweede goal van Maradona terugzie? Iedere voetballiefhebber weet meteen waar ik het nu over heb.
Wat de beide doelpunten van Maradona zo memorabel maakt, was dat ze onderdeel uitmaakten van een pijnlijke politieke geschiedenis die in deze momenten zichtbaar werd. Ik denk dat er geen voetbalwedstrijden tussen landen zijn geweest waarin zo veel spanning voelbaar was. Die spanning ging terug naar de oorlog die Engeland vier jaar eerder begonnen was tegen Argentinië (Falklandoorlog, 1982). De aanleiding van deze oorlog was dat de Argentijnse generaal en president Leopold Galtieri in het voorjaar van 1982 op het onzalige idee was gekomen om de rotsige Flaklandeilanden voor de Zuidkust van Argentinië in te nemen. Deze eilanden hoorden nog altijd bij het Britse koninkrijk en hij wist natuurlijk dat hij hiermee in conflict zou komen met deze voormalige wereldmacht die nog steeds over een leger beschikte dat veel sterker was dan de Argentijnse krijgsmacht. Toch dacht hij kennelijk dat hij dit risico wel kon nemen. Misschien dacht hij dat de Engelsen het er bij zou laten zitten, want die Falklandeilanden hadden verder weinig betekenis.
Maar zoals zo vaak gebeurt met dictators die door jaknikkers omringd worden, bleek deze dictator een fatale inschattingsfout te maken. Voor de toenmalige premier van Engeland, Margaret Thatcher, kwam deze provocatie als een geschenk uit de hemel. Zij zag dit als een buitenkans die zij met beide handen aangreep, omdat ze hiermee de aandacht kon afleiden van de enorme binnenlandse problemen die zij na haar drastische bezuinigingen in de publieke sector over zichzelf had afgeroepen. Haar machiavellistische spel was in zekere zin succesvol, want Engeland kwam een paar maanden later als winnaar uit deze oorlog. Margaret Thatcher werd mateloos populair, maar de grote rampspoed trof natuurlijk de duizend Argentijnse en Engelse soldaten die in deze krankzinnige oorlog gesneuveld waren. Om de zogenaamde eer van Engeland -lees: het hachje van Thatcher- te redden, moesten 649 Argentijnse jongens en 258 Britse jongens het leven laten.
De vernedering en pijn zaten er diep in bij de trotse Argentijnen en er stond veel op het spel toen hun land vier jaar later in deze kwartfinale van het wereldkampioenschap voetbal uitkwam tegen Engeland. Alle Argentijnen hoopten dat hun nationale voetbalteam ervoor zou zorgen dat de eer van Argentinië hersteld zou worden. Zij hadden goede redenen om te hopen op een overwinning, want als voetbalnatie deed Argentinië zeker niet onder voor Engeland. Daarnaast beschikte Argentinië op dat moment over de beste voetballer aller tijden. Het gaat hier natuurlijk om de kleine Argentijnse voetballer Diego Armando Maradona (1 meter 65) die op dat moment in absolute topvorm was. Hij was razend populair en hij moest ervoor zorgen dat de vernedering van de Falklandoorlog gewroken zou worden.
In de aanloop naar deze beladen wedstrijd ervoer ik hoe ik als voetballiefhebber in die oorlogsstemming meegezogen raakte en daar voelde ik mij niet goed over. Er rezen morele vragen die ik liever uit de weg wilde gaan, omdat ik naar het voetbal wilde kijken. Aan de andere kant wist ik dat het een illusie is om sport en politiek te scheiden. Ik moest natuurlijk denken aan de beroemde Nederlandse trainer Rinus Michels die meermalen gezegd heeft dat “voetbal oorlog is”. Wat mij zo tegenstaat in deze uitspraak is dat oorlog hiermee verheerlijkt lijkt te worden. Voetbal vinden wij toch amusant? En gold dit volgens Michels ook voor oorlog? En raakte ik niet ook in de ban van een oorlog hitsende stemming die zo veel levens kapot had gemaakt? Was ik niet medeplichtig geworden aan een discours waar ik niks mee te maken wilden hebben?  
Natuurlijk kon ik er ook voor kiezen om niet naar deze wedstrijd te kijken, maar daarvoor vond ik dit zogenoemde spelletje te leuk. Ik hield met andere worden te veel van voetbal om een goede keuze te kunnen maken. De esthetiek won het weer van de ethiek en ik gaf mij er ongegeneerd aan over. Ook moet ik schuldbewust zeggen dat ik weer volop aan mijn trekken kwam. Het was een mooie open wedstijd, de teams waren aan elkaar gewaagd, zij het dat Argentinië wel de betere ploeg was. Toch lukte het lange tijd niet om door de verdediging van Engeland heen te breken. Maradona was de absolute uitblinker met zijn magistrale dribbels en zijn prachtige passen naar zijn medespelers. Maar ook hij slaagde er lange tijd niet in om te scoren. Er moest iets geforceerd worden. Uiteindelijk gebeurde er iets wat wel in de lucht hing, maar wat niemand zag aankomen.
In de 51ste minuut van de wedstrijd kwam het cruciale moment waarover tot op de dag van vandaag wordt nagepraat. Maradona kwam na weergaloos samenspel met zijn medespelers alleen voor de keeper, maar de bal werd hoog door de lucht gespeeld en de kleine Maradona kon er onmogelijk bij. Toch sprong hij omhoog. Hij maakte een koppende beweging, terwijl hij tegelijk een armbeweging naar zijn hoofd maakte. Pas in de herhaling zie je hoe hij zijn hoofd gebruikt als camouflage voor zijn hand waarmee hij de bal het doel inslaat. Veel Engelse spelers zagen wat er gebeurde en zij beklaagden zich woedend bij de scheidsrechter. Terwijl Maradona juichend naar de kant rent, zien we vanuit een ander camera-standpunt dat hij tijdens zijn sprint heel eventjes naar de scheidsrechter kijkt. Hij checkt of de scheidsrechter zijn valsspelerij gezien heeft en als hij in een fractie van een seconde ziet dat de scheidsrechter niks gezien heeft, rent hij juichend verder. Even later staat hij aan kant van het veld en gebaart hij naar zijn verbijsterde medespelers dat hij geknuffeld wil worden. Natuurlijk komen ze op hem afstormen. Ze kunnen hem wel opvreten, zo dol zijn ze op hem. Wat dit moment zo aangrijpend maakt, is dat hier zichtbaar wordt waar Maradona vandaan komt. Hier zien we de straatjongen die zijn harde leerschool in de armste sloppenwijken van Buenos Aires genoten heeft. Zijn gogme paste bij de vuile oorlogsstemming die op dat moment in de lucht hing. Maradona zou later in de persconferentie zeggen dat hij het doelpunt met zijn hoofd en “de hand van God” gemaakt had. Deze uitspraak is onvergetelijk geworden. Ik voel van alles als ik terugkijk naar dit moment, maar het is zeker geen kippenvel dat ik hier voel opkomen. Daarvoor zat er te veel venijn en gif in deze actie.
Mijn kippenvelmoment komt als de 55ste minuut van de wedstrijd is aangebroken. Eerst lag de wedstrijd lange tijd stil en de commentatoren konden niet uitgepraat raken over het bedrog van Maradona. De Nederlandse commentator Theo Reitsma zag het valse spel meteen toen hij met 100000 uitzinnige toeschouwers in het stadion zat. Hij mompelde over de twijfels die altijd rondom Maradona zouden blijven hangen. Andere commentatoren waren minder subtiel en er werd wat af gescholden in de huiskamers. Maradona werd een spelbederver en een oplichter genoemd, maar zijn valse spel paste helemaal in de geest van de vuile oorlog die aan deze wedstrijd vooraf was gegaan. Er hing wraakzucht in de lucht en Maradona leek dit feilloos aan te voelen. Toen alle Engelse protesten tegen de arbitrage afgewezen waren, moest er weer gevoetbald worden en na vier minuten kwam het goddelijke moment dat iedere voetballiefhebber zich zal herinneren.
Weer was het Diego Armando Maradona die de voetbalwereld op zijn kop zette. Op de eigen helft begon hij aan een solo die uiteindelijk tot de beslissende goal zou leiden. De kalme commentator Theo Reitsma kon dit keer zijn emoties niet bedwingen en hij riep: “Maradona, Maradona, alle twijfels zijn verdwenen!”
In zijn memorabele solo passeerde Maradona zes Engelse spelers en toen hij duellerend met de laatste Engelse speler op de Engelse keeper afstormde, was het onduidelijk of hij het zelf was of dat het de Engelse speler was die de bal achter de keeper in het doel schoot. Maar ook al was dit een eigen doelpunt, dan nog kan dit niets afdoen aan de sublieme schoonheid van Maradona’s dribbel. Hier zien wij hoe mooi het voetbal kan zijn. Het leek wel alsof alle mogelijkheden van het voetbalspel in dit verlossende moment geactualiseerd werden. Dit was pure ontlading. De laatste jaren moet ik dit moment steeds weer terugzien. Vergeef mij dat ik er niet over uitgepraat kan raken.   
Maradona gaat maar door met zijn dribbel en terwijl de bal met onzichtbare touwtjes aan zijn voeten lijkt te kleven, passeert hij de Engelse voetballers die van alle kanten op hem afkomen. Maradona zei later dat hij toen 200 kilometer per uur rende en ook deze overdrijving is op een paradoxale manier waar, want zijn solo leek uit een andere wereld te komen. Toen Maradona klaar was met zijn dribbel riep de Argentijnse commentator met huilende stem: “Diego, O Diego van welke planeet kom jij?” Dit was een moment waarvan iedere voetballiefhebber blijft  dromen. Ik voel iedere keer als ik dit moment terugzie kippenvel opkomen.
Op de een of andere manier put ik troost uit dit kippenvelmoment. Wat deze solo zo mooi en ontroerend maakt, is dat je als voetballiefhebber weggeleid lijkt te worden naar een andere hemelse sfeer. In de wereld waar we nu aankomen, is geen oorlog meer. Dit is het pure voetbal dat op zijn allermooist gespeeld wordt.
Maradona heeft miljarden mensen aan het dromen heeft gezet, maar zijn eigen leven eindigde in een nachtmerrie van verslavingen die hem uiteindelijk fataal werden. In een van zijn laatste  interviews op televisie zei hij huilend dat zijn leven mislukt was, maar Maradona kon toen niet meer voor zichzelf spreken. Hij is een publiek bezit geworden.
Mede dankzij Diego Armando Maradona (1960-2020) kan ik blijven dromen over een mooiere wereld. En ik troost mij met de gedachte dat een mooiere wereld ook een betere wereld zal zijn. En zo was het toch goed dat ik naar die beladen wedstrijd tussen Argentinië en Engeland heb gekeken. Als ik doodga, zal ik aan deze tweede goal tegen Engeland terugdenken. Wat zou het mooi zijn als ik in mijn laatste snik kippenvel zal krijgen.    

Zie helden eindelijk als mensen!

Ik weet niet of wij blij mogen zijn met de onthullingen van de hufterigheden die Matthijs van Nieuwkerk zich tijdens de opnamen van het razendpopulaire programma De Wereld draait door (DWDD) gepermitteerd heeft. Natuurlijk is het een goede zaak dat de slachtoffers in deze tragedie eindelijk erkenning krijgen, maar het is wel het zoveelste demaqué van bekende Nederlanders (zie recent ook de val van Ali B, Marco Borsato en Waylon) en dat is verontrustend. Van de ene op de andere dag zijn onze helden in ongenade gevallen en we gaan weer over tot de orde van de dag. Hoe kan een held zo snel in een antiheld veranderen?

Het lijkt wel alsof wij niet kunnen accepteren dat die televisiehelden ook maar gewone mensen blijken te zijn die het geluk hebben dat ze ergens heel erg goed in zijn. Kennelijk hoef je nog geen goed mens te zijn als je toevallig ergens heel goed in bent. Maar wat doet dit met ons mensbeeld? Tot nu worden hierover geen vragen gesteld in talkshows en opiniestukken en dat is op zijn zachtst gezegd een gemiste leerkans. Uit alle reacties die op het debacle van DWDD zijn losgekomen, zie ik dat er niet echt gereflecteerd wordt op de vraag wat die vrije val van bekende Nederlanders betekent voor ons geloof in helden en autoriteiten.

Het is niet ongevaarlijk wanneer helden van hun voetstukken vallen, want burgers hebben sterren nodig waarop zij zich in hun donkere zoektocht naar een goed leven kunnen oriënteren. Een premier die telkens liegt en daarmee wegkomt, een beroemde zanger die zich als coach vergrijpt aan zijn leerlingen of een bekende televisiepresentator die zich achter de schermen grenzeloos uitleeft op zijn medewerkers, brengen het geloof in autoriteiten zodanig aan het wankelen dat er geen geloofwaardige voorbeelden, helden of autoriteiten meer zijn waarop je je kunt richten bij de vormgeving van je leven.

Vroeger heerste het geloof dat autoriteit, gezag en heldendom terug te voeren waren op transcendente bronnen waaruit gezagsdragers zouden putten. Hun volgelingen voelden van binnenuit de drang om in te stemmen en mee te zingen met de opdrachten, teksten en liederen die uit een andere hemelse sfeer leken te komen. Hedendaagse kunstuitingen blijken die magie nog altijd te hebben en Matthijs van Nieuwkerk heeft alles op alles gezet om die magische muziek in populaire media als de televisie tot leven te laten komen. Met zijn enorme passie voor muziek was een hij een voorbeeld voor heel veel mensen en daarom is het zo verdrietig dat hij kennelijk niet de schouders had die de weelde konden dragen. En zo zijn er steeds minder sterren waarop je je in deze donkere tijd kunt oriënteren. Sinds Friedrich Nietzsche in 1882 de dood van God heeft aangekondigd, zijn bijna alle autoriteiten van hun voetstukken gevallen. Dit geldt echter niet voor het verheffingsideaal waarvan Nietzsche een pleitbezorger was. Maar hoe kun je je verheffen als alle richtinggevende idealen aan betekenis verliezen?

Er komt pas zicht op een uitweg uit deze tijd van desoriëntatie wanneer wij doordrongen raken van het besef dat onze helden ook maar mensen zijn en dat we hen als mensen moeten benaderen. Zodra onze autoriteiten een spoortje van autoritair gedrag vertonen, wordt het tijd om hen een spiegel voor te houden. Matthijs van Nieuwkerk was veel te laat met zijn aankondiging dat hij een spiegel in zijn huiskamer heeft opgehangen. Machtige mensen in zijn omgeving hadden dat al veel eerder moeten doen, maar ze deden dat niet omdat ze door zijn sterrenstatus verblind waren. Zie helden eindelijk als mensen! Misschien dat ze dan wel voor richting kunnen zorgen in een wereld die na de dood van God “als een gek aan het tollen is”.       

Leef! (de eerste keer)

Een van de leukste gesprekken die ik ooit over seks en voetbal gevoerd heb, dateert van ongeveer 25 jaar geleden toen ik aan de praat raakte met de eigenaar van een Chinees restaurant op de Nieuwmarkt in Amsterdam. Het gesprek kwam op gang toen ik daar voor de tweede keer met mijn grote vriend uit Nieuw-Zeeland zat te eten. Ik vroeg de eigenaar of hij zich nog herinnerde dat wij die vorige keer bij hem gegeten hadden en dat hij toen zo verrukt was over het Peruaanse dochtertje van mijn grote vriend. Kon hij zich nog herinneren dat hij helemaal in de ban was van dat baby’tje en dat hij meermalen met haar door het restaurant liep om haar aan zijn collega’s en andere gasten te laten zien? Hij pronkte met haar alsof het zijn eigen dochtertje was en wij vermaakten ons kostelijk. Ik probeerde hem aan deze hilarische gebeurtenis te herinneren, maar de Chinese restaurant eigenaar wist niet waar ik het over had. Toch vond hij het wel leuk dat ik hem aan het praten probeerde te krijgen en hij wilde graag met ons verder kletsen.

Het was rustig in zijn restaurant, dus kon hij het zich permitteren om aan ons tafeltje te komen zitten en het duurde niet lang tot hij zijn levensverhaal aan ons begon te vertellen. Het was een boeiend verhaal over zijn buitenechtelijke liefdes en geheime kinderen die daaruit verwekt waren. Een andere rode draad door zijn levensverhaal was zijn passie voor voetbal. Hij had in Suriname op een hoog niveau voetballers getraind en hij sprak vol vuur over zijn geliefde spits die altijd meerdere keren scoorde in een wedstrijd. Hiermee raakte hij aan mijn eigen passie voor voetbal en toen we honderd uit hadden gepraat over voetballers, posities en spelsystemen, stelde ik hem opeens de vraag waarom het eigenlijk zo ontzettend leuk is om naar voetbal te kijken. Waarom is voetbal de meest populaire kijksport in de wereld? Had hij daar een uitleg of verklaring voor?

De Chinese restauranteigenaar keek oplettend om zich heen en toen zei hij dat hij ons iets wilde vertellen dat niet voor iedereen bestemd was. Dus nu moesten we goed luisteren, want hij praatte zachtjes en hij wilde niet dat de paar andere gasten in het restaurant zouden meeluisteren. Wij bogen ons voorover en toen wij bijna aan zijn lippen hingen, vertelde de Chinese restauranteigenaar dat voetbal hetzelfde is als seks. “Het gaat om die ene goal”, zei hij. “Voetbal is pas echt spannend als die ene winnende goal gemaakt wordt. Daar moet je op wachten en dat mag lang duren. Iedere keer als die beslissende goal gemaakt wordt, dan is het alsof je klaarkomt,” vertrouwde hij ons toe. “Dat heb je niet bij basketbal, want daar wordt aan de lopende band gescoord. De mooiste voetbalwedstrijd is een wedstrijd waarin het om dat ene beslissende doelpunt gaat en dan moet het heel lang nul nul blijven. Je drukt, drukt, drukt…  en als er dan eindelijk gescoord wordt, dan is daar het orgasme! Het gaat om dat ene moment. Het echte voetbal is net zo spannend als hete seks.”

Ik moet nog vaak aan deze woorden terugdenken, maar ik heb daar wel mijn vragen bij. Hoe kan de Chinese restauranteigenaar verklaren dat voetballiefhebbers zo vaak willen terugkijken naar die beslissende momenten? Als het echt om dat ene actuele moment gaat, waar komt dan het verlangen vandaan om het zo vaak te willen terugzien?

Bijzondere momenten in het voetbal die ik heel vaak heb teruggezien, komen uit de finale van het wereldkampioenschap voetbal dat in 1974 in West-Duitsland georganiseerd werd. Deze wedstrijd tussen Nederland en gastland West-Duitsland begon nog zo veelbelovend met die briljante eerste minuut van het Hollands totaalvoetbal waarin Cruyff na een weergaloze versnelling onderuit werd geschopt. De West-Duitsers hadden na die eerste minuut nog geen bal geraakt en toen die bal tergend langzaam op de strafschopstip werd klaargelegd, was de spanning om te snijden. Als zevenjarige voetballiefhebber was ik nog te jong om klaar te komen, maar ik herinner mij dat ons huis leek te exploderen toen Johan Neeskens de welverdiende penalty in het dak van het doel joeg. Wat een branie en zelfvertrouwen straalden onze godenzonen uit!

Toch mocht die zalige roes niet lang duren, want voor de rust kantelde de wedstrijd. Na de rust, waarin onze aanvoerder Johan Cruyff overigens een gele kaart kreeg wegens praten tegen de scheidsrechter, verloren we deze finale met 2-1. Na afloop van deze verloren finale was het verdriet zo groot dat het leek het alsof Nederlandse voetballiefhebbers herbelevingen aan de oorlog tegen Duitsland kregen. Ik denk echt dat miljoenen voetballiefhebbers in meerdere of in mindere mate getraumatiseerd zijn geraakt door deze gruwelijke voetbalwedstrijd. Iedere liefhebber heeft zo zijn of haar eigen manier gevonden om met deze grote verlieservaring om te gaan. Zo hoorde ik laatst een voetballiefhebber vertellen dat hij deze wedstrijd nog vaak in zijn geheel op televisie heeft teruggekeken, omdat hij maar niet kan geloven dat Nederland deze finale echt verloren had. Iedere keer als hij deze wedstrijd terugkijkt, hoopt hij dat Nederland deze wedstrijd toch nog gaat winnen.

Maar die arme voetballiefhebber zal altijd bedrogen uitkomen, want in de sport gaat het om momenten die niet meer teruggedraaid kunnen worden. De sport leert ons dat die ene keer tegelijk de eerste en de laatste keer is. In die zin krijgen we een harde levensles voorgeschoteld als we naar sport kijken. Het leven is aaneenrijging van eenmalige momenten. Als er iets nieuws gebeurt, dan is het altijd de eerste en laatste keer dat dit gebeurt.

Overigens denk ik dat dit voor dieren geen probleem is, maar mensen blijken hier enorme moeite mee te hebben. Hieruit ontstaat ons metafysische verlangen naar religie en kunst. De kunstenaar geeft uiting aan het universele metafysische verlangen om ons tegen de eenmaligheid van het leven te verzetten. Als het mooi of bijzonder is wat er gebeurt, dan willen we dat in ons geheugen vasthouden. Wat mooi, bijzonder of verschrikkelijk is, mag niet vergeten worden. Dit geldt zowel op microniveau wanneer je bijvoorbeeld voor het eerst verliefd wordt als op macroniveau wanneer de Nederlands voetbaleftallen hun memorabele WK-finales verliezen tegen West-Duitsland, Argentinië, Spanje en Amerika (WK Vrouwenvoetbal 2019). Als voetballiefhebber weet ik dat je vaak illusies najaagt wanneer je op dat ene gelukzalige moment blijft wachten, maar dat mag de pret niet drukken. Ook al weten wij dat wij hoogstwaarschijnlijk nooit wereldkampioen worden, dan nog blijven wij iedere keer opnieuw hopen dat het nu toch de eerste keer wordt dat het wonder wel gaat geschieden. Dat geldt ook voor voetballiefhebbers die in kleine voetballanden als Letland, Noord Ierland of San Marino leven.

Het leven leert ons dat het ultieme geluk nooit lang mag duren. Jean Paul Sartre laat deze tragiek prachtig zien in zijn eerste roman Walging. We lezen daarin over de zogenoemde geprivilegieerde momenten die altijd verstoord worden in het reële leven. Op het moment dat de hoofdpersoon luistert naar zijn favoriete zangeres die de mooiste melodie zingt die hij ooit gehoord heeft, dan hoort hij een kras op de plaat die hem uit zijn gelukzalige stemming haalt. En als hij dan eindelijk voor de eerste keer met zijn geliefde in de bosjes ligt te vrijen, dan brandt hij zich op het hoogtepunt van de vrijage aan de brandnetels die tegen zijn blote billen drukken. Ik heb deze beeldende passages in Sartre’s roman vaak teruggelezen, maar ik neig ertoe om er een duiding aan te geven die anders is dan de hoofdpersoon in deze roman doet. Voor mij is het privilege van deze momenten hierin gelegen dat ze narratief vereeuwigd worden in deze roman. Het zijn dus niet de actuele momenten zelf die beslissend zijn voor de vraag of wij meer of minder gelukkig worden, maar veel belangrijker is hoe wij daarop terugkijken.

Als het belangrijk is wat er gebeurt, dan is dat niet de eerste keer duidelijk. Mensen hebben meer tijd nodig om de dingen en gebeurtenissen naar waarde te schatten. Zo wist volksfilosoof Johan Cruyff met zijn geniale en onnavolgbare logica aannemelijk te maken dat de gouden voetbalgeneratie van 1974 de finale tegen het mindere West-Duitsland moest verliezen om later als het beste team van het toernooi herinnerd te worden. Dus eigenlijk draait het niet om het actuele moment zelf, maar om de manier waarop wij daarop terugkijken. En zo gaat het met alles wat kwaliteit heeft. Als de muziek goed is, dan moet je er meerdere keren naar luisteren om er echt van te kunnen genieten. Dat geldt ook voor een boek dat zijn geheimen nooit bij de eerste keer lezen prijsgeeft. Kunst wil meerdere keren gezien, gelezen of gehoord worden. Ook daarin begrijp ik de kunst als een verzet tegen de eenmaligheid van het leven.

Alles wat gebeurt, gebeurt maar een keer en dat is altijd en overal de eerste en de laatste keer. Het leven is eenmalig, maar daar gaat het uiteindelijk niet om als we naar zin blijven zoeken. We leven met een oriëntatie op de eeuwigheid, zij het dat die eeuwigheid fictief is. Wat echt gebeurt, zijn de momenten die telkens weer opkomen en verdwijnen. Hoe kunnen we leven met het besef dat het de eerste en de laatste keer is dat wij hier op aarde leven, terwijl wij met onze gedachten, herinneringen en verlangens voortdurend naar het verleden teruggaan en naar de toekomst vooruitkijken?

De beroemde filosoof Wittgenstein moet op zijn sterfbed het juiste antwoord op deze metafysische vraag gegeven hebben. Volgens zijn naasten heeft hij toen gezegd dat hij alleen maar grappen had gemaakt als hij gevoel voor humor had gehad. Misschien kan ik mij op dit ene punt toch nog de meerdere van dit bloedserieuze filosofische genie wanen, want ik moet iedere dag wel een keer of zelfs meerdere keren lachen. Zo zegt de volksmond: “een dag niet gelachen is een dag niet geleefd.” Toch blijft de filosoof in mij vragen wat hier nu eigenlijk te lachen valt. Ik denk dat dat hier een belangrijke taak ligt voor filosofen.

De grote metafysische vraag is waarom wij onweerstaanbaar moeten lachen en huilen wanneer wij doordrongen raken van het besef dat het de eerste en de laatste keer is dat wij hier op aarde leven. Hoe kun je onverschillig blijven als je echt tot je door laat dringen dat je maar één keer op deze aarde rondloopt en rondhangt?   

Dus daarom tot slot mijn oproep in één woord:

Leef!

Speech bij bachelorbuluitreiking op 14-10-2022

Ik voel het iedere keer weer als een bijzondere eer wanneer onze universele coördinator Gerard Linde een paar maanden voor de buluitreiking aan mij komt vragen of ik weer zin en tijd heb om bij de buluitreiking een speech te houden. Toen Gerard mij dit vroeg, maakte hij trouwens een grapje waarvan ik niet zeker wist of hij het grappig bedoelde of dat er misschien toch een serieuze ondertoon in zat die ik niet helemaal snapte. Zo vroeg hij mij met een bloedserieus gezicht of ik dit keer wel een andere speech wilde houden dan de vorige keer. Natuurlijk moest ik eerst lachen, maar achteraf ging ik me toch afvragen of ik misschien ooit in herhaling was vervallen. Gelukkig kon ik mijzelf daar niet op betrappen, maar ik kreeg wel pijnlijke herinneringen aan de speeches die de rector van mijn middelbare hield toen ik eerst mijn HAVO diploma en twee jaar later mijn VWO diploma in ontvangst mocht nemen. In zijn memorabele speech had die rector een enorme bos rode rozen meegenomen en hij begon te vertellen dat die rode rozen zijn lievelingsbloemen waren en dat hij ons zag als zijn kinderen van wie hij zielsveel hield. Vervolgens legde hij uit dat er net zo veel rozen in zijn boeket zaten als eindexamenleerlingen die op deze bijzondere dag hun HAVO-diploma uitgereikt kregen. Hij vroeg ons of we onze eigen roos wilden meenemen als wij ons diploma in ontvangst namen en daarbij drukte hij ons op het hart dat wij zelf prachtige rozen waren die in de bloei van hun leven waren. Dit leek allemaal lief en aardig bedoeld, maar zijn hele verhaal over die rozen kwam echt mijn strot uit toen hij het presteerde om twee jaar later bij de diploma-uitreiking van het VWO precies hetzelfde verhaal te vertellen. Weer waren wij zijn lievelingskinderen die net als deze prachtige rode rozen in de bloei van hun leven waren.

Ik voelde niet alleen plaatsvervangende schaamte, maar vooral medelijden  opkomen toen ik die rector op zelfplaggiaat betrapte. Kennelijk kon hij in die twee jaar niets nieuws bedenken om tegen de leerlingen te zeggen. Die rector zag zijn leerlingen niet echt, want anders zou hij wel iets bijzonders over hen kunnen vertellen. Later hoorde ik van insiders in de school dat hij zijn verhaal over die rozen om de twee jaar bij de diploma-uitreikingen herhaalde zodat het niet te erg opviel. Die paar leerlingen die eerst het HAVO en later het VWO hadden gedaan, kon hij als een bedrijfsrisico wegstrepen.
Overigens mogen jullie ook allemaal een roos mee naar huis nemen als mijn collega Willeke Los jullie straks de bul overhandigt, maar deze rozen zijn gewoon een aardigheidje en je hoeft niet bang te zijn dat ik jullie nu ook met rode rozen ga vergelijken. Ik heb geen metaforen nodig om jullie te vertellen hoe mooi jullie zijn. Dat spreekt voor zichzelf. En ik heb ook geen wijze levensles die ik jullie tot slot wil meegeven, want ik wil de rollen omdraaien. Ik wil met andere woorden iets aan jullie teruggeven van alles wat jullie mij gegeven hebben in de gesprekken die ik met jullie op de UvH gevoerd heb.

Wat jullie mij gegeven hebben, is heel veel, maar ik heb van Gerard maar vijf minuten gekregen, dus ik kan er hooguit drie voorbeelden uithalen. Ik wil het graag hebben over de bijzondere ideeën en vragen waar jullie mee komen wanneer we gaan brainstormen over de scripties die jullie moeten schrijven bij de afronding van je bacheloropleiding. Ik laat ieder jaar veel ruimte aan jullie om zelf te bepalen wat je wilt uitzoeken en dat heeft het risico dat je  verdwaalt. Als dat gebeurt, dan weet ik dat ik jullie veel strakker moet aansturen om studievertraging te voorkomen, maar toch kan ik het niet laten om jullie toch steeds weer los te laten. Dan krijg ik de kans om iets te zien wat ik nog niet van te voren verwacht had. In wat nu volgt, wil ik jullie heel kort vertellen wat ik van jullie leer als ik met jullie in gesprek ben over de thema’s van je studie. Misschien weten je ouders en je vrienden dan ook waarom het zo leuk is om op deze bijzondere universiteit les te mogen geven.

In de laatste groepsbijeenkomsten die ik organiseerde voor studenten die onder mijn begeleiding bachelorscripties gaan schrijven, was er bijvoorbeeld een student die ons in alle ernst vertelde dat het zijn grootste wens is om opgegeten te worden door mensen die hem bijzonder dierbaar zijn. Hier kwam ik weer in een situatie terecht waarmee Gerard mij confronteerde. Meent die vent nu wat hij hier vertelt of speelt hij een spel? Anders dan bij de opmerking van Gerard denk ik deze student het wel bloedserieus bedoelde. De vraag die hij wilde uitwerken voor zijn scriptie was of het moreel aanvaardbaar was om kannibalisme op vrijwillige basis door te voeren. Hier stuitte hij op het spanningsveld tussen het humanistische principe van autonomie en het christelijke principe van de integriteit van het menselijk lichaam en daar kwam hij niet goed uit. Ik kon hem ook niet goed verder helpen, want hij begaf zich op een onderzoeksterrein dat mij totaal onbekend was. Wij zochten in de bestaande literatuur naar indirecte aanknopingspunten en we raakten samen de weg kwijt. Maar ondertussen blijf ik aan hem denken en hij zei mij laatst heel monter dat hij volgend jaar graag bij mij terugkomt om het nog een keer te proberen.

En dan was er die prachtige jongeman die mij vertelde dat hij kaal werd, maar dat hij daar geen moeite mee had. Daarom verwonderde hij zich over al die mannen die wel door hun kaalheid getraumatiseerd werden en die er alles voor over hadden om hun probleem op te lossen. Via Pieter -zo heet die mooie jongeman- kwam ik van alles te weten over haartransplantaties die een steeds grotere vlucht gaan nemen. Pieter deed een empirisch onderzoek naar de belevingen van 8 kalende mannen die haartransplantaties ondergaan hadden. Wat bezielt die mannen? Zijn conclusies waren fascinerend. In alle literatuur die hij over haartransplantaties geraadpleegd had, las hij dat mannen haartransplantaties overwegen omdat ze onder grote druk staan van ideaalbeelden die ons via de massamedia opgedrongen worden, maar zijn respondenten zeiden dat ze dit puur voor zichzelf en niet voor anderen deden. Pieter zei dat hij het niet ethisch vond om zijn respondenten te willen ontmaskeren. Dus hij besloot om zijn respondenten het laatste woord te geven in deze kwestie.

En dan is er natuurlijk Huib Pruymboom die de beste bachelorscriptie van de afgelopen jaren heeft geschreven, maar als ik daarover ga vertellen, dan raak ik -net als Huib overigens- nooit uitgepraat en dan krijg ik ruzie met Gerard, want ik vrees dat ik over mijn spreektijd heenga. Wat ik nog wel tegen jou wil zeggen, Huib, is dat ik jou een 10 min had gegeven als ik het alleen voor het zeggen had gehad. Geen tien, want zoals mijn vroegere filosofiedocent Cornelis Verhoeven zei: “alleen God is perfect.”

Maar wat ik tot slot tegen jullie allemaal wil zeggen, is dat ik jullie van harte wil bedanken voor alle ideeën en verhalen die jullie met mij gedeeld hebben. Ik denk echt dat er weinig onderwijsinstellingen in de wereld zijn waar zo veel interessante en authentieke studenten rondlopen als hier op de UvH.

Als er iets is wat mij met deze universiteit verbindt, dan zijn het jullie. Als jullie er niet waren, dan was ik al lang weg geweest, maar dat geldt natuurlijk voor alle docenten. We dreigen maar al te vaak te vergeten dat het de studenten zijn die de academische gemeenschap levend houden. Dank daarvoor!  

Ik wens jullie verder alle goeds toe. En alvast van harte gefeliciteerd met het behalen van deze mijlpaal.  

In de lucht

Als we mensen horen zeggen “dat er iets in de lucht hangt”, dan weten we dat er iets spannends staat te gebeuren. Precies het tegenovergestelde is het geval wanneer je iemand hoort zeggen “dat het wel erg in de lucht blijft hangen”. Deze laatste metafoor wordt vaak gebruikt bij beoordelingen van ideeën, ontwerpen of plannen. Wat we met deze metafoor willen duidelijk maken, is dat we het wollig of abstract vinden. We voelen een zekere irritatie en als die irritatie verder oploopt, dan kun je de metafoor van de lucht nog verder op de spits drijven door bijvoorbeeld te zeggen dat “het allemaal gebakken lucht is.” Ik heb nooit goed begrepen waar deze uitdrukking op slaat, maar in deze lelijke metafoor zien we weer dat het woord “lucht” een extreem negatieve betekenis krijgt. Ga je hierop letten, dan zie je zoveel wat hier op lijkt. Neem nu de uitdrukking “dat het lijkt alsof je in het luchtledige aan het praten bent”. En als je echt genoeg hebt van iemand, dan kun je dat het beste duidelijk maken door te zeggen dat hij of zij “gewoon lucht” voor je is. Zo iemand stelt dus niks voor. Hij of zij had er net zo goed niet kunnen zijn. In al deze voorbeelden zie ik dat het niet goed genoeg is om gewoon “lucht” te zijn.
Op de een of andere manier zijn we altijd in de weer met de lucht. Daarin moet altijd iets veranderd worden. In de zomer is het vaak te warm en dan willen we dat de lucht gekoeld wordt en in de winter wordt het vaak te koud en dan moet de lucht verwarmd worden. We zijn ook vaak bang voor de lucht, bijvoorbeeld in coronatijd toen wij overal hoorden dat virusdeeltjes door de lucht verspreid worden. Vaak moet de lucht verfrist worden, omdat we “het niet lekker vinden ruiken”. Als ik hier langer over nadenk, dan valt het mij op dat er zo vaak in negatieve zin over de lucht wordt gesproken.
Ik verbaas mij hierover omdat lucht een van de belangrijkste levensbronnen is. Wie vanuit het oogpunt van de natuur naar de mens kijkt, ziet dat wij zonder lucht nog minder dan lucht zijn. Zonder lucht en zuurstof waren we er namelijk nooit geweest. Toch hoor ik dit nergens terug in onze actuele omgangstaal. Zo moet ik bij het woord “lucht” meteen aan “vervuiling” denken. Van alle levende wezens zijn wij ontegenzeggelijk de grootse luchtvervuilers op aarde. Houdt de luchtvervuiling verband met de manier waarop wij de lucht onteerd en ontheiligd hebben? Deze vraag is te groot om hier te beantwoorden, maar ik wil er wel een begin mee maken.
Laten we om te beginnen teruggaan naar het begin van het leven, zoals beschreven in Genesis 2. De meest fascinerende passages in Genesis 2 zijn de zinnen waarin kort verteld wordt hoe God de mens heeft geschapen. Mijn ogen bleven aan deze zinnen gekluisterd:  “Toen maakte JHWH, God, de mens.  Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.” (NBV Studiebijbel, p. 21)
In deze zinnen wordt precies de vinger gelegd op het wonder van het leven dat zich uiteindelijk aan ons begrip onttrekt. Het leven begint met de lucht die wij in- en uitademen. Hier kun je je niet genoeg over verwonderen. Zojuist hoorde ik weer het prachtige lied “Wild is the wind “ van David Bowie en ik moest onweerstaanbaar denken aan Genesis 2. Wanneer Bowie zingt dat met haar kus het leven begint (“her kiss life begins”), dan hoor ik hierin een verwijzing naar de drie magische zinnen in Genesis 2. God die adem in Adams neus blaast, is eigenlijk de wind en de liefde die aan het begin staan van het leven.  
In het Sanskriet wordt de scheppende kosmische energie aangeduid met de naam Atman en Atman is etymologisch verwant aan het Duitse Atem. Hier moet ook een verwantschap met het Nederlandse woord “adem” zijn. Zoals zo vaak leidt de weg van de filologie tot fascinerende filosofische ontdekkingen.  
Mij gaat het om het filosofische punt dat de lucht of de wind de oergrond van het leven is. Dat leren we in de pré-socratische natuurfilosofie. Thales, Herakleitos, Democritus en Anaxagoras spraken over de elementen lucht, water, aarde en vuur. Deze natuurkrachten moesten in hun ogen niet als statische en mechanische bouwstenen, maar als vitale oerkrachten in de kosmos worden begrepen. Leven is zo veel meer dan dode en niet dode materie.
In oude religies was die spiritualiteit springlevend. Vandaar dat de wind heilig werd verklaard. Die andere positieve waardering van de lucht en de wind hoor ik terug in het lied van Bowie. Dankzij kunst en religie krijgen wij van binnenuit contact met een spirituele dimensie in de kosmos. Er zijn zo veel dimensies in de wereld die zich niet onder controle laten brengen. Als we die controledwang toch tot het uiterste blijven doorvoeren, dan moeten wij daarvoor een hogere prijs betalen dan ons lief is. Dit kunnen we allemaal rationeel uitleggen, maar uiteindelijk schiet die uitleg tekort als wij het niet op een dieper niveau ervaren. Dankzij de kunst kan die ervaring tot leven komen.
Luister nog eens naar Wild is the wind van David Bowie. In dit lied krijgt de wind zijn/haar heiligheid terug. Hoe kunnen wij die heiligheid van de wind in andere songs en taaluitingen lezen en horen?
Nu maar hopen dat mijn laatste vraag niet in de lucht blijft hangen en dat je met mij wil meedenken en associëren. Het woord “lucht” heeft ook andere betekenissen, zoals “de lucht klaren” en “iets luchtig” opvatten. Als het over de lucht gaat, dan draait het om de essentie van het leven en daarover zullen wij nooit uitgepraat raken. Ik ben zo benieuwd wat er nog meer over de lucht gezegd kan worden. Wie wil er wat over zeggen?

Aanslagen op stations

Om geestelijk gezond te blijven, probeer ik mij in deze oorlogstijd zo veel mogelijk van het wereldnieuws af te sluiten. Niet meer dan een uur of twee uur per dag nieuwsberichten verwerken en verder wil ik zo weinig mogelijk aan die rotoorlog te denken. Dat lijkt mij redelijk te lukken, maar toch werd het mij weer zwaar te moede toen ik vanmorgen de krant opensloeg en las over de twee raketaanvallen op het station van Kramatorsk. Het bericht kwam keihard binnen en als ik nu voor Zindroom een tekst over het woord “station” probeer te  schrijven, dan kan ik alleen maar aan die raketaanvallen op het station in Kramatorsk denken. Het is moeilijk om je een voorstelling te maken van de wreedheid van de mensen die deze oorlogsmisdaad op hun geweten hebben. Hoe kun je moedwillig weerloze burgers en kinderen doodmaken?
Eerst las ik over ziekenhuizen die gebombardeerd worden en op vrijdagochtend 8 april waren er dus die twee raketaanvallen op het Oekraïense station waar zo’n vierduizend bijeen waren gekomen om per trein geëvacueerd te worden uit het oorlogsgebied. Deze mensen waren dus oorlogsvluchtelingen. Als ik dit tot mij door laat dringen, dan lijkt het alsof het kwaad geen grenzen heeft. Dit zijn van die momenten waarop ik mij weer afvraag wat de aard van de mens is.
Volgens de officiële berichten zijn op het station zeker 50 mensen om het leven gekomen en daar zaten vijf kinderen bij. Dit was een opzettelijke actie en daarom moet het mogelijk zijn om je te verplaatsen in de hoofden van die militairen die dit met hun volle bewustzijn gedaan hebben. Stel je voor dat je vlak voor en vlak na die aanslag met hen zou kunnen praten. Wat zou jij dan tegen die oorlogsmisdadigers zeggen?
“Je weet wat je met je raketaanvallen gaat aanrichten. Weer zijn het onschuldige mensen die de prijs van jouw oorlog moeten betalen. Dat weet je, maar toch deins je daar niet voor terug. Misschien moet je uitvoeren wat jou wordt opgedragen en moet je dit doen op straffe van executie. Dit mag allemaal zo zijn, maar toch is dit geen excuus om te doen wat je gedaan hebt. Op het moment dat jij die raketten laat afgaan, weet je dat er verschrikkelijke dingen gaan gebeuren. Hoe kun je met jezelf verder leven?”
Hier werden geen militaire doelen geraakt en toch moet er wel degelijk een strategie achter zitten. Ik lees over het Russische streven om op deze manier het moreel van het Oekraïense volk te breken. Zo ging het ook met de Russische oorlogen in Syrië, Georgië en Tsjetsjenië. Als je gelooft dat je de situatie altijd met geweld naar je hand kunt zetten, dan moet je tot het uiterste bereid zijn. Hier lijkt een duivelse logica in te zitten die wij kennen uit de geschiedenis. Was de Tweede Wereldoorlog ooit ten einde gekomen wanneer de Amerikanen geen atoombommen hadden gegooid op Hiroshima en Nagasaki? Toch lukt het mij niet om dit echt te begrijpen. Hoe kun je met opzet weerloze mensen vernietigen? En ook als het niet met opzet gebeurt, dan blijft het onverdraaglijk.
Als Nijmegenaaar moet ik nu denken aan 22 februari 1944 toen het station en het stadcentrum door de geallieerden gebombardeerd werd. Deze aanslag wordt “een vergissingsbombardement” genoemd, maar ik heb mij altijd aan deze eufemistische naamgeving gestoord. Bij een vergissing denk je toch eerder aan een fout die met een simpel woord als ‘sorry’ goedgemaakt kan worden? Je loopt op straat per ongeluk tegen een andere voetganger aan, je zegt sorry, de ander zegt dat het geen probleem is en je loopt verder. Dat is de normale gang van zaken als er vergissingen worden gemaakt. Maar wanneer die Amerikaanse piloten bij de bombardementen op Nijmegen in één klap 800 mensen om het leven brengen, dan kun je toch moeilijk van een vergissing blijven spreken? Hier werden fouten gemaakt die niet teruggedraaid kunnen worden. Dit was een regelrechte ramp.
Ik sprak jaren geleden met een oude Nijmegenaar die op de middag van het bombardement in de stad was. Het was half twee in de middag en hij was niet ver van het station op de Graafse Weg waar hij het onheil zag gebeuren. Hij vertelde mij dat hij toen meteen naar het station is gegaan om zijn hulp aan te bieden. Hij is toen gaan helpen met het wegleggen van de dode lichamen. Telkens als hij een lijk geruimd had, moest hij zijn handen gaan wassen. Daar moest hij nog dagelijks aan denken als hij zijn handen waste. “Dat gaat nooit meer weg,” zei hij en hij leek even helemaal in zichzelf gekeerd te zijn. Toen deze man op honderdjarige leeftijd overleed nam ik mij voor om dit verhaal aan zo veel mogelijk mensen te vertellen. 
Hoewel het geweld er niet meer of minder op wordt wanneer zo’n raketaanval, aanslag of bombardement opzettelijk gepleegd wordt of niet, denk ik dat dit voor de verwerking van het trauma wel uitmaakt. Zo werden de geallieerden bij de bevrijding van Nijmegen met open armen door de bevolking ontvangen, maar Poetin zal zich nooit meer in de beschaafde wereld kunnen vertonen. Toch weet je dit nooit zeker, want zo beschaafd zijn wij nu ook weer niet.
Tegenwoordig hoor je van alle kanten dat Poetin een moordzuchtig beest is en hij wordt steeds weer met Hitler en Stalin vergeleken. Er zijn grote twijfels over zijn geestelijke gezondheid, maar dat helpt allemaal niet om te begrijpen wat hij nu eigenlijk aan het doen is.  
Misschien moet je toch een klein beetje begrip voor zo iemand kunnen opbrengen om te begrijpen hoe zo iemand denkt en handelt. Maar wie is hiertoe in staat? In dit verband moet ik denken aan de ochtend waarop ik na de terroristische aanslag op het station in Madrid (11 maart 2004) door een park liep en dat ik toen een dakloze man op een bankje hoorde schreeuwen dat het toch onbegrijpelijk is dat die terroristen onschuldige mensen om het leven hebben gebracht. Ik vond zijn oproep ontroerend, want deze man had zeker reden om wraakzuchtig te zijn naar de wereld, maar dat was hij dus niet. Wat mij vooral verwonderde, is dat hij zich openlijk afvroeg wat die massamoordenaars bezielde.
Net als die dakloze man kan ik daar geen begrip voor opbrengen, maar toch vind ik dat wij alles op alles moet zetten om te begrijpen wat die oorlogsmisdadigers en terroristen bezielt. Je kunt hen pas op een effectieve manier bestrijden als je van binnenuit probeert te begrijpen waarom zij denken en handelen zoals zij denken en handelen. Maar hoe kun je zo iemand van binnenuit begrijpen als het je niet lukt om begrip voor zo iemand op te brengen?   

De terugkeer van het centrum

Ik kan mij nog goed de verwarring herinneren toen ik tientallen jaren geleden kennismaakte met de Nieuw-Zeelandse vriendin van mijn beste vriend die jaren later naar Nieuw-Zeeland is geëmigreerd. Nadat we een poos gesproken hadden over haar wereldreizen en de wereldreizen van mijn grote vriend kreeg ik opeens zin om een filosofische vraag aan de Nieuw-Zeelandse vriendin van mijn levenslange vriend te stellen. Ik vroeg haar waar volgens haar het centrum van de wereld lag. En toen was het even stil.

Ze keek mij welwillend, maar niet begrijpend aan en het werd een beetje ongemakkelijk. Wij hadden daarvoor leuk gepraat, maar toch had ik het gevoel dat wij nu pas echt contact hadden. Natuurlijk kan ik mij hierin vergissen, want zij begreep mijn vraag niet en ik vond het mooi om te zien dat ze niks deed om haar verwarring te verhullen. Maar ze herpakte zich snel. Zo vroeg zij mij wat ik met mijn vraag bedoelde en nu kwam de bal bij mij te liggen. Hiermee deed mijn Nieuw-Zeelandse gesprekspartner iets wat ik te vaak heb nagelaten in mijn filosofiecolleges. Als ik tijdens een hoorcollege overvallen word door een vaag die onbegrijpelijk en vaag is, dan voel ik steeds de neiging om die student te helpen om die vraag helder te krijgen. Dan probeer ik die vraag in begrijpelijke taal te herformuleren, maar dat lukt natuurlijk niet, want de vragensteller weet vaak zelf niet wat hij of zij nu eigenlijk wil vragen. Terwijl ik op zulke momenten vastloop en naar nieuwe woorden blijf zoeken, lijkt het alsof de vaagheid van die student overslaat op de docent. Dit zijn van die momenten waarop de oplettende studenten zich kostelijk vermaken. Achteraf hoor ik die oplettende lachebekjes in de collegezaal zeggen dat zij op zulke momenten zitten te wachten. Ze kennen mij een beetje en zij weten dat ik te aardig ben om tegen die student te zeggen dat hij of zij voortaan beter moet nadenken over de vraag wat hij of zij nu eigenlijk wil vragen. Zou ik in de ogen van die studenten pas echt ballen hebben wanneer ik op zo’n moment tegen die student zou gaan katten “dat je natuurlijk wel je verantwoordelijkheid moet nemen voor de vragen die je stelt en dat je die verantwoordelijkheid niet op de docent mag afschuiven?” Ik zag mijn collega Joep Dohmen vaak op die manier uitvallen naar studenten en hij was mateloos populair. Maar die autoritaire toon past niet bij mij. Ik neem liever een voorbeeld aan mijn sympathieke Nieuw-Zeelandse gesprekspartner die mij in alle openheid vroeg wat ik met mijn vraag bedoelde.  

Eerlijk gezegd wist ik eigenlijk niet goed waar ik met mijn zogenoemde filosofische vraag heen wilde, maar ik had wel het gevoel dat mijn vraag ergens op sloeg en nu probeerde ik er “pratenderwijs” achter te komen wat dat dit kon zijn. Op zulke momenten laat ik mij weer inspireren door Gerard Reve die ooit gezegd heeft dat “gouwehoer is toegestaan mits daar Gods zegen op rust”.

Bij wijze van inleiding begon ik mijn Nieuw-Zeelandse gesprekspartner uit te leggen dat ik van jongs af aan heb geleerd dat Europa centraal staat in de wereld -Eurocentrisme- en dat er vanuit Europa ontdekkingsreizen naar andere werelddelen op touw werden gezet. Op school moesten wij die routes van de grote Europese ontdekkingsreizigers uit ons hoofd leren en dat is kennelijk goed gelukt, want ik zie die stippellijnen over de wereldbol nog steeds voor mijn geestesoog verschijnen. Vanuit het Europese centrum van de wereld zie ik stippellijnen lopen naar perifere werelddelen als Noord-Amerika (Columbus), Zuid-Amerika (Cabral), Azië (Marco Polo), Australië (Cook) , enzovoort… De verschillende stippellijnen hadden verschillende kleuren. Zo kon je die ontdekkingsreizen makkelijker uit je hoofd leren.  

Ik vertelde verder tegen mijn Nieuw-Zeelandse gesprekspartner dat wij leerden dat Columbus “Amerika ontdekt had” en dat de benaming “Nieuw-Zeeland” was afgeleid van het Hollandse “Zeeland”. Nooit werd in die aardrijkskunde- en geschiedenislessen de vraag gesteld hoe de oorspronkelijke inwoners van die continenten -de zogenoemde Indianen of de Maori’s- tegen die zogenoemde “ontdekking van Amerika en Nieuw-Zeeland” zouden aankijken. Zouden de nakomelingen van de oorspronkelijke inwoners van die werelddelen ook op school moeten leren dat hun continenten door Columbus, Cook, Tasman, Marco Polo, etc… ontdekt waren?

Ik vroeg mijn Nieuw-Zeelandse gesprekspartner hoe zij dit had ervaren. Zij vertelde mij dat zij dezelfde basiskennis van de wereld had opgedaan als ik, maar dat er nooit zulke vragen bij haar waren opgekomen. Kennelijk vond zij het niet vreemd om vanuit een Europees perspectief naar haar eigen land te kijken. Maar ik bleef mij hierover verwonderen en ik  kreeg zin om daarover na te gaan denken.

Om te kunnen verklaren dat zo veel geboren en getogen Nieuw-Zeelandse jongens in de wereldoorlogen naar Europa zijn gegaan zijn om hun leven te riskeren in de loopgraven -WO 1!-, moet je kijken naar wijze waarop zij de wereld verbeeldden. Als burgers van de commonwealth leefden de Nieuw-Zeelanders in dezelfde mentale wereld als de Britten. Alleen zo kunnen wij hun sneuvelbereidheid verklaren.

Bij nader inzien is een wereldbeeld een sociale verbeelding. Mijn ooms en tantes leerden in de jaren de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw op de lagere school dat Sumatra, Java, Nieuw Guinea en Borneo op dezelfde manier bij Nederland hoorden als de Waddeneilanden. Natuurlijk gingen mijn ooms na de Tweede Wereldoorlog naar Indonesië toe om “de wereldorde te herstellen”. De bezetting was nog maar net voorbij of zij gingen er alweer al op uit om Indië -later Indonesië- te bezetten! Dat is best wel absurd als je er nu over nadenkt, maar wisten zij veel? Indië hoorde gewoon bij Nederland, net zoals Vietnam bij Frankrijk en Hongkong bij Engeland hoorden. Wij westerlingen leefden in het centrum van de wereld. Afrika, Azië en Zuid-Amerika waren de perifere werelddelen -later “De derde wereld” genoemd- die daaromheen draaiden. De Europese wereld was vanaf de Verlichting in de 17e eeuw het machtspolitieke centrum waar de hele wereld omheen draaide. Met de opkomst van Amerika en China als supermachten lijkt daarin verandering te komen. De wereld lijkt er steeds minder overzichtelijk bij te liggen.

Vanuit geopolitiek perspectief wordt het steeds problematischer om over het centrum van de wereld te spreken, maar daarmee is het laatste woord over deze kwestie nog lang niet gezegd. Precies op dit punt heb ik mijn bedenkingen bij de conclusies die Peter Sloterdijk in zijn filosofie van de sferen trekt. Hij concludeert dat de vraag naar het centrum niet meer tot onze verbeelding spreekt, omdat onze metafysische wereldbeelden aan zeggingskracht hebben verloren. In zijn magistrale filosofie van de sferen laat Peter Sloterdijk zien dat mensen duizenden jaren lang gedacht hebben dat er een stralend middelpunt, een scheppende God of een hoogste idee is waaraan alle dingen en verschijnselen in de wereld participeren. De idee dat de wereld een bol is, heeft een metafysische oorsprong, maar Sloterdijk claimt dat de moderne natuurwetenschap met dat metafysische wereldbeeld heeft afgerekend. Toch ben ik daarvan nog lang niet overtuigd. Zo is het onzinnig om te stellen dat de filosofie van Plato weerlegd is.

Peter Sloterdijk is op zijn best als hij de tijd van de metafysische wereldbeelden beschrijft. Hij leert ons dat mensen altijd in bolvormige sferen geleefd hebben. De grote Griekse filosofen wisten al lang dat de aarde om de zon heen draait, maar zij duidden die bewegingen van de hemellichamen niet in materialistische zin. Dat het licht van de zon ons via de ogen kan bereiken, komt omdat er in onze ogen al een lichtgevoeligheid is waardoor het zonlicht in onze innerlijke wereld kan resoneren. Die geestelijke lichtgevende zon maakt ons ontvankelijk voor het licht dat in onze ogen schijnt. Het primaat ligt dus bij de geestelijke en niet bij de materiële wereld. De kosmische energie waaruit alle verschijnselen emaneren, dient hier in spirituele en niet in materiële zin te worden begrepen.

In de Griekse filosofie heerst het primaat van de priori-kennis. De geestelijke wereld in onszelf gaat vooraf aan de wereld die wij voor ons of buiten ons zien verschijnen. Maar wij leven in een materialistisch wereldbeeld en wij hebben geleerd dat het precies andersom is. Wij hebben geleerd om objectief te denken en naar buiten te kijken. Dat is goed, maar daarnaast is het van levensbelang om diep in onszelf af te dalen. Zodoende kunnen wij voeling krijgen met het  centrum van de wereld. Ik raad jou in dit verband aan om het essay Ik ben de wereld van oud-humanisticus Jan Warndorff te lezen. En luister goed naar onze huisfilosoof Fernando Suarez Müller die in zijn hoorcolleges alles op alles zal zetten om jou uit het materialistische wereldbeeld te bevrijden.

Aldus blijft de vraag naar het centrum van de wereld tot onze verbeelding spreken. In tegenstelling tot Sloterdijk pleit ik voor een terugkeer van het centrum. Tot slot refereer ik graag aan mijn idealistische collega Fernando Suarez Müller die mij vlak voor de kerstvakantie een link naar zijn hoorcolleges stuurde. Hij sloot zijn mail af met een kerstwens:

“Misschien vind je het leuk om naar te kijken of doorheen te scrollen. Het zal je Kerstgevoel verdiepen, het feest waarin het de bedoeling is dat alles en iedereen in de wereld samenstroomt en samenkomt bij de middenas van het zijn.”

Speech voor buluitreiking op vrijdag 15 oktober ’21

Ik vind het echt een eer dat ik op deze bijzondere gelegenheid iets persoonlijks tegen jullie mag zeggen. Toen ik jullie namen voorbij zag komen bij de voorbereiding van deze buluitreiking kwamen er veel mooie herinneringen bij mij naar boven, want ik heb echt het gevoel dat ik jullie allemaal persoonlijk ken. Ik had jullie graag vaker gezien, maar dat werd bemoeilijkt door de coronacrisis die al het onderwijs afstandelijk maakte. Er was opeens veel minder menselijk contact tussen studenten onderling en tussen studenten en docenten en dit heeft zeker impact gehad op jullie motivatie voor de studie. Mijn vraag was steeds waar jullie de inspiratie en de zin vandaan halen om te blijven studeren. Om goed te kunnen studeren, is het namelijk van levensbelang om contact te onderhouden met je medestudenten en docenten en dat kan niet alleen via het beeldscherm gebeuren.

Als ik via het beeldscherm aan jullie vroeg hoe het met jullie ging, dan zeiden jullie vaak dat het geen zin om te gaan klagen, want het was nu eenmaal zo. Toch was het wel een zorgelijke situatie. En dan denk ik vooral aan het schrijven van de bachelorscripties. Soms leek het alsof de studenten in mijn groepje niet vooruit te branden waren, maar vaker werd ik dan toch verrast. Opeens was daar de concentratie en dan verwonderde ik mij over de enorme voortgang die er opeens gemaakt werd. Het was heerlijk om op die manier door jullie verrast te worden! Ik denk nog wel eens terug aan de scripties die er zo uitsprongen. Maar ik denk niet alleen aan deze briljante scribenten wanneer ik op deze lange coronatijd terugkijk. Ik wil jullie allemaal een compliment maken.  

Ik vind het echt bewonderenswaardig dat jullie er in deze coronatijd in geslaagd zijn om je bul te halen! Want weet wel dat mijn collega’s op dezelfde manier naar jullie papers en scripties hebben gekeken als altijd. We wilden wel begripvol en coulant zijn in de begeleiding, maar bij de beoordeling wilden wij geen water bij de wijn doen. Dat lijkt een beetje onmenselijk, maar het andere uiterste is natuurlijk nog verschrikkelijker. De leerlingen die in de coronatijd hun diploma hebben gehaald, weten nu dat zij allemaal gematst zijn. Dat is niet leuk, maar om dan meteen over “een verloren generatie”  te spreken, is ook zwaar overdreven. Echt in deze woorden werd over leerlingen gepraat tijdens de coronacrisis. Er hoeft in deze veeleisende samenleving maar iets te gebeuren, of we denken al dat alles verloren is. Soms begon ik echt te vrezen dat mensen hun verstand aan het verliezen waren in deze coronatijd, maar dat heb ik bij jullie niet gemerkt. Jullie hebben over het algemeen gewoon je ding gedaan in een tijd waarin het echt moeilijk was om je kop erbij te houden. En dat geldt trouwens ook voor mijzelf.

 Eigenlijk ben ik trots op jullie en mezelf dat we het gewoon geflikt hebben om door te gaan met de studie. Jullie zitten hier maar mooi en ik vind dat we daar eigenlijk best wel bij stil mogen staan. Als ik voor mezelf spreek, dan vind ik het niet overdreven om van een lijdensweg te spreken, maar ik hoor daar nu bijna niemand meer over. We hebben de draad al lang weer opgepakt en de economie groeit weer als een tierelier. Mensen zijn in het algemeen buitengewoon vergeetachtig, maar ik weet niet of dat nu zo goed is. Ik ben nog niet klaar met praten, maar ik wil hier toch even bij de afgelopen tijd stilstaan. Ik dacht eerst aan een minuut stilte, maar dat is te zwaar voor zo’n feestelijke gelegenheid. Wel wil ik jullie vragen om jezelf even op de schouder te kloppen, want het is niet niks wat wij geflikt hebben. Het is jullie maar mooi gelukt om in deze rottijd de eindstreep te halen. Ik praat straks verder, maar zullen we tussentijds even voor onszelf applaudisseren?

Zoals ik zei, ben ik nog niet klaar met mijn speech. Ik ga nu verder met het tweede deel van mijn verhaal waarin ik jullie wil vertellen waar jullie goed in zijn en waar jullie werk kunnen vinden. Ook leuk voor de ouders misschien…

Ik studeerde vroeger ook humanistiek en ik kreeg van het thuisfront altijd de vraag hoe ik met deze opleiding mijn brood dacht te gaan verdienen. Mijn rijke neef durfde mij zelfs te vragen hoe hoog mijn uitkering zou zijn als ik eindelijk klaar was met mijn studie. Tot nu toe heeft hij ongelijk gekregen. Ik heb mij altijd afgevraagd waar ik goed in was en dan kwam ik soms op ideeën waar je niet opkomt als je je door angst laat leiden. Nu wil ik deze vraag dus ook voor jullie beantwoorden. Waar zijn jullie goed in? Dat commerciële varken in mijn familie, ik bedoel die vreselijke neef van mij, zou hier vragen wat jouw unique selling point is, maar zo concreet bedoel ik het natuurlijk niet. Maar wat ik wil jullie wel op het hart wil drukken, is dat jullie goed contact kunnen maken met mensen. Dit is moelijker dan het op het eerste gezicht lijkt.

Laatst las ik een plan van aanpak voor maatschappelijk werkers. Er is stond een lange reeks van stappen, maar de eerste stap was dat je contact moest leggen met je cliënt. Nu is mijn vraag wat zij daarmee bedoelen. Het lijkt een afvinkpunt te zijn op een lijst, maar als je even nadenkt, dan blijf je hier haken. Ik kwam geen stap verder in het stappenplan. Wat bedoelen wij met contact?

Ik weet niet of sociaal werkers en psychologen ons zo veel verder kunnen helpen bij deze trage vraag. Zo vertelde een psychotherapeut in coronatijd tegen mij dat de kwaliteit van zijn therapie niet minder was nu hij via het beeldscherm moest werken. Hij durfde zelfs te zeggen dat zijn therapie beter was geworden, omdat hij zich nu beter kon focussen op zijn gesprekstechnieken. Eerlijk schrok ik een beetje toen ik hem zo hoorde praten. Wat gebeurt er eigenlijk in zijn therapie als het niet uitmaakt of hij zijn gesprekspartner in levende lijve ziet of niet? Je wilt als hulpverlener toch ook zien hoe iemand er bij zit? Of speelt de therapie zich voornamelijk in het hoofd af? Mij werd het angstig te moede. Een ding weet ik nu zeker: bij de psychotherapeuten moet ik niet aankloppen als ik naar menselijk contact op zoek ben.

Maar bij wie dan wel? Ik denk dat je al raadt al waar ik nu heenga. Ik denk dat ik hiervoor bij humanistici moet aankloppen. Wat jullie goed kunnen, is luisteren. Het gaat hier om een kwaliteit die vaak schromelijk onderschat wordt in de loopbaancoaching. Altijd wordt gehamerd op performance, jezelf verkopen en voor jezelf opkomen, maar onze kwaliteiten liggen ergens anders. Jullie willen altijd luisteren wat iemand anders te zeggen heeft en daarin laten jullie zien dat jullie eigenlijk humanisten zijn. Humanisten herken je namelijk aan de bereidheid tot de dialoog en de dialoog begint met de bereidheid om te luisteren of beter gezegd te horen wat iemand anders bezielt. Die ander kan trouwens ook een dier of dieren zijn. Zo zie ik de laatste jaren dat jullie het humanisme breder willen opvatten dan ik in mijn studie aan de Universiteit voor Humanistiek gedaan heb. Mij ging het altijd om contact tussen mensen, maar jullie zijn door de ecologische crisis uit die antropocentrische sluimer wakker geschud. Humanistiek betekent nu dat we ons moeten verbinden met alle levende wezens op aarde.

De eerste student die mij op dit spoor aan het denken zette, was Elmer van Engelenburg. Elmer schreef een bachelorscriptie over de vraag hoe de toekomst van de mens eruit ziet als de klimaatveranderingen in hetzelfde tempo doorgaan. Elmer kon maar één conclusie trekken. De mens zoals we die nu kennen, is over hooguit 400 jaar uitgestorven. Als begeleider vond ik het nodig om aan hem de vraag te stellen wat voor taak hij dan nog voor de humanistiek zag weggelegd. En ook daarop was zijn antwoord eenduidig. Volgens Elmer was de taak van de humanistiek om de mensheid in dit uitstervingproces te begeleiden. Humanistiek is stervensbegeleiding. Hier speelde volgens hem ook een ethische vraag, namelijk: hoe kunnen we het uitsterven van de mens verzachten?

Elmer zette mij op een fascinerend spoor, maar hij maakte volgens mij twee denkfouten. Ten eerste zijn de wetenschappers niet unaniem van mening dat het zo snel gedaan is met het menselijk leven op aarde en ten tweede kun je op verschillende manieren tegen wetenschap aankijken. De wetenschap kan ons niet vertellen hoe wij moeten leven. De wetenschap komt met feiten die wij serieus moeten nemen, maar het is aan ons om betekenis te geven aan die feiten. En precies daarin kan de humanistiek behulpzaam zijn.

De humanisticus is dus geen wetenschapper, maar hij of zij staat tussen de wetenschap en de mens in. Wij nemen wetenschappelijke kennis serieus, maar uiteindelijk zit onze kracht in het zoeken naar verbindingen tussen de menselijke ervaring en de harde feiten die ons door de wetenschap getoond worden. De vraag wat wij met die feiten aan moeten en hoe we daaraan betekenis kunnen geven, is trager en onzekerder dan Elmer suggereert.

Wij moeten dus met die ecologische en existentiële zekerheden leren dealen en precies daarin zit jullie kracht. Natuurlijk kun je met deze studie ook wetenschapper worden en dan kun je net als Wander, Bram en ik op deze universiteit gaan werken, maar volgens mij is het nog spannender om als humanisticus te gaan werken.  Overal waar expertsystemen en mensen interacteren, zijn humanistici nodig om die contacten menselijker te maken. Jullie moeten de wereld menselijker maken! Ik wens jullie alle goeds toe!